2025007548

26 SEPTEMBER 2025. - Besluit van de Vlaamse Regering tot wijziging van het besluit van de Vlaamse Regering van 17 november 2023 over de digitalisering van de handhaving van diverse Vlaamse regelgeving, wat betreft de implementatie van het Kaderdecreet Vlaamse Handhaving van 14 juli 2023(NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 13-10-2025 en tekstbijwerking tot 19-06-2026)

Bron: Vlaamse Overheid

Publicatie: 13 oktober 2025

Nummer: 2025007548

bladzijde: 79837

Dossiernummer: 2025-09-26/07

Inwerkingtreding :
13 oktober 2025
1 april 2026
31 december 2026

Deze tekst wijzigt de volgende tekst:

2023047629

1 gearchiveerde versie

Inhoudstafel

HOOFDSTUK 1. - Wijzigingsbepalingen
Art. 1-9, 7/2, 10-19
HOOFDSTUK 2. - Slotbepalingen
Art. 20-22

Tekst

HOOFDSTUK 1. - Wijzigingsbepalingen

  Artikel 1.In artikel 1 van het besluit van de Vlaamse Regering van 17 november 2023 over de digitalisering van de handhaving van diverse Vlaamse regelgeving worden de volgende wijzigingen aangebracht:
  1° in de inleidende zin wordt de zinsnede "77 tot en met" opgeheven;
  2° er worden een punt 7° tot en met 9° toegevoegd, die luiden als volgt:
  "7° artikel 5 en artikel 6 van het decreet van 29 maart 2024 over e-boeken en bijbehorende software;
  8° hoofdstuk 9 van het decreet van 26 april 2019 houdende de justitiehuizen en de juridische eerstelijnsbijstand;
  9° hoofdstuk II tot en met hoofdstuk IV/1 van het decreet houdende sociaalrechtelijk toezicht van 30 april 2004.";
  3° er worden een punt 10° en een punt 11° toegevoegd, die luiden als volgt:
  "10° hoofdstuk 5 van het decreet van 5 februari 2016 houdende het toeristische logies;
  11° hoofdstuk 6 van het decreet van 15 juli 2016 betreffende het integraal handelsvestigingsbeleid.";
  4° [1 ...]1;
  5° er worden een tweede, derde en vierde lid toegevoegd, die luiden als volgt:
  "Artikel 4 van het Kaderdecreet Vlaamse Handhaving van 14 juli 2023 is voor de bepalingen, vermeld in het eerste lid, ook van toepassing op lokale overheden.
  In afwijking van het eerste lid geldt de verplichting om bepaalde bestuursdocumenten in elektronische vorm op te maken, vermeld in artikel 4, § 1, van het Kaderdecreet Vlaamse Handhaving van 14 juli 2023, niet voor de bestuursdocumenten, vermeld in artikel 4, § 1, eerste lid, 1°, van het voormelde decreet, en de controleverslagen, vermeld in artikel 4, § 1, eerste lid, 2°, van het voormelde decreet.
  Voor de bepalingen, vermeld in het eerste lid, 9°, wordt de verplichting om bepaalde bestuursdocumenten in elektronische vorm op te maken, vermeld in artikel 4, § 1, van het Kaderdecreet Vlaamse Handhaving van 14 juli 2023, beperkt tot de processen-verbaal en verslagen van vaststelling die zijn opgesteld door de sociaalrechtelijke inspecteurs, vermeld in artikel 3, 10°, van het decreet houdende sociaalrechtelijk toezicht van 30 april 2004, wegens de schending van de regelgeving, vermeld in artikel 2, § 1, van het voormelde decreet.".
  ----------
  (1)<BVR 2026-06-05/21, art. 5, 002; Inwerkingtreding : 01-07-2026>

  Art. 2. In hetzelfde besluit wordt een artikel 1/1 ingevoegd, dat luidt als volgt:
  "Art. 1/1. Artikel 4, 6 en 80 van het Kaderdecreet Vlaamse Handhaving van 14 juli 2023 zijn van toepassing op de processen-verbaal en verslagen van vaststelling die zijn opgesteld door de sociaalrechtelijke inspecteurs, vermeld in artikel 3, 10°, van het decreet houdende sociaalrechtelijk toezicht van 30 april 2004, wegens de schending van de regelgeving, vermeld in artikel 2, § 1, van het voormelde decreet.".

  Art. 3. Artikel 1/1 van hetzelfde besluit, ingevoegd bij artikel 2, wordt opgeheven.

  Art. 4. Artikel 2 van hetzelfde besluit wordt vervangen door wat volgt:
  "Art. 2. Artikel 77 tot en met 79 van het Kaderdecreet Vlaamse Handhaving van 14 juli 2023 zijn van toepassing op de volgende bepalingen:
  1° titel XVI van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid;
  2° hoofdstuk V van het decreet van 29 maart 2002 tot bescherming van varend erfgoed;
  3° titel VI van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening van 15 mei 2009;
  4° hoofdstuk 11 van het Onroerenderfgoeddecreet van 12 juli 2013;
  5° boek 1, deel 3, en boek 3, deel 9, van de Vlaamse Codex Wonen van 2021;
  6° titel 6 van het Scheepvaartdecreet van 21 januari 2022;
  7° artikel 5 en artikel 6 van het decreet van 29 maart 2024 over e-boeken en bijbehorende software;
  8° hoofdstuk 9 van het decreet van 26 april 2019 houdende de justitiehuizen en de juridische eerstelijnsbijstand;
  9° hoofdstuk 5 van het decreet van 5 februari 2016 houdende het toeristische logies;
  10° hoofdstuk 6 van het decreet van 15 juli 2016 betreffende het integraal handelsvestigingsbeleid.".

  Art. 5.
  <Opgeheven bij BVR 2026-06-05/21, art. 6, 002; Inwerkingtreding : 01-07-2026>

  Art. 6. Artikel 3 van hetzelfde besluit wordt vervangen door wat volgt:
  "Art. 3. Artikel 81 tot en met 83 van het Kaderdecreet Vlaamse Handhaving van 14 juli 2023 zijn van toepassing op de volgende bepalingen:
  1° titel XVI van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid;
  2° hoofdstuk V van het decreet van 29 maart 2002 tot bescherming van varend erfgoed;
  3° titel VI van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening van 15 mei 2009;
  4° hoofdstuk 11 van het Onroerenderfgoeddecreet van 12 juli 2013;
  5° artikel 5 en artikel 6 van het decreet van 29 maart 2024 over e-boeken en bijbehorende software;
  6° hoofdstuk 9 van het decreet van 26 april 2019 houdende de justitiehuizen en de juridische eerstelijnsbijstand;
  7° hoofdstuk 5 van het decreet van 5 februari 2016 houdende het toeristische logies;
  8° hoofdstuk 6 van het decreet van 15 juli 2016 betreffende het integraal handelsvestigingsbeleid.".

  Art. 7.
  <Opgeheven bij BVR 2026-06-05/21, art. 6, 002; Inwerkingtreding : 01-07-2026>

  Art. 8. Artikel 4 en 5 van hetzelfde besluit worden opgeheven.

  Art. 9. In hetzelfde besluit worden een artikel 7/1 en 7/2 ingevoegd, die luiden als volgt:
  "Art. 7/1. Voor de bepalingen, vermeld in artikel 1, 7°, van dit besluit, wordt de verplichting om bepaalde bestuursdocumenten in elektronische vorm op te maken, vermeld in artikel 4, § 1, van het Kaderdecreet Vlaamse Handhaving van 14 juli 2023, beperkt tot de volgende bestuursdocumenten:
  1° de verslagen van vaststelling, vermeld in artikel 9, § 2, tweede lid, van het voormelde decreet;
  2° de kennisgevingen van de bestuurlijke vervolging, vermeld in artikel 40, § 1, van het voormelde decreet;
  3° de voorstellen tot betaling van een geldsom, vermeld in artikel 39, § 1, eerste lid, van het voormelde decreet;
  4° de sanctiebeslissingen en de kennisgeving ervan, vermeld in artikel 41, eerste lid, van het voormelde decreet.

  Art. 7/2. Voor de bepalingen, vermeld in artikel 1, 8°, van dit besluit, wordt de verplichting om bepaalde bestuursdocumenten in elektronische vorm op te maken, vermeld in artikel 4, § 1, van het Kaderdecreet Vlaamse Handhaving van 14 juli 2023, beperkt tot de volgende bestuursdocumenten:
  1° de processen-verbaal en verslagen van vaststelling, vermeld in artikel 9, § 2, tweede lid, van het voormelde decreet;
  2° de kennisgevingen van de bestuurlijke vervolging, vermeld in artikel 40, § 1, van het voormelde decreet;
  3° de voorstellen tot betaling van een geldsom, vermeld in artikel 39, § 1, eerste lid, van het voormelde decreet;
  4° de sanctiebeslissingen en de kennisgeving ervan, vermeld in artikel 41, eerste lid, van het voormelde decreet.".

  Art. 10. Artikel 7/1 en 7/2 van hetzelfde besluit, ingevoegd bij artikel 9, worden opgeheven.

  Art. 11. Artikel 8 van hetzelfde besluit wordt vervangen door wat volgt:
  "Art. 8. Voor de opdrachten van gerechtelijke en bestuurlijke politie zijn de processen-verbaal en de verslagen van vaststelling, die aanwezig zijn in het digitaal klassement, vermeld in artikel 4, § 1, derde lid, van het Kaderdecreet Vlaamse Handhaving van 14 juli 2023, en die zijn opgesteld wegens de schending van de regelgeving, vermeld in artikel 1, eerste lid, 1° tot en met 5°, 10° en 11°, van dit besluit, toegankelijk voor de politiediensten, vermeld in artikel 2 van de wet van 5 augustus 1992 op het politieambt, en de gemeentelijke, intergemeentelijke, provinciale of Vlaamse inspectiediensten die de toezichthouders, vermeld in artikel 2, 15°, van het kaderdecreet betreffende de bestuurlijke handhaving van 22 maart 2019, zoals van kracht tot en met 7 september 2023, en artikel 2, 30°, van het Kaderdecreet Vlaamse Handhaving van 14 juli 2023, die bevoegd zijn voor de handhaving van de regelgeving, vermeld in artikel 1, eerste lid, 1° tot en met 5°, 10° en 11°, van dit besluit, tewerkstellen.
  Voor de opdrachten van bestuurlijke vervolging, zijn de bestuursdocumenten, vermeld in artikel 4, § 1, eerste lid, 2°, 3° en 4°, van het Kaderdecreet Vlaamse Handhaving van 14 juli 2023, die zijn opgesteld in het kader van de toepassing van de regelgeving, vermeld in artikel 1, eerste lid, 1° tot en met 5°, 10° en 11°, van dit besluit, en die aanwezig zijn in het digitaal klassement, vermeld in het eerste lid, toegankelijk voor de beboetingsinstanties, vermeld in artikel 2, 1°, van het kaderdecreet betreffende de bestuurlijke handhaving van 22 maart 2019, zoals van kracht tot en met 7 september 2023, en artikel 2, 3°, van het Kaderdecreet Vlaamse Handhaving van 14 juli 2023, die bevoegd zijn voor de handhaving van de regelgeving, vermeld in artikel 1, eerste lid, 1° tot en met 5°, 10° en 11°, van dit besluit.
  Voor het opleggen of doen opleggen van publieke herstel- en beveiligingsmaatregelen zijn de processen-verbaal en de verslagen van vaststelling, die zijn opgesteld wegens de schending van de regelgeving, vermeld in artikel 1, eerste lid, 1° tot en met 5°, 10° en 11°, van dit besluit, en die aanwezig zijn in het digitaal klassement, vermeld in het eerste lid, toegankelijk voor de herstelinstanties, vermeld in artikel 2, 15°, van het voormelde decreet, die bevoegd zijn voor de handhaving van de regelgeving, vermeld in artikel 1, eerste lid, 1° tot en met 5°, 10° en 11°, van dit besluit.
  Voor het doen opleggen en opvolgen van rechterlijke herstelmaatregelen als vermeld in artikel 3.43 en 3.44 van de Vlaamse Codex Wonen van 2021, voor het opleggen en opvolgen van verzegelingen, vermeld in artikel 3.53 van de voormelde codex, en voor het afleveren of niet-afleveren van conformiteitsattesten op basis van artikel 3.6, § 2, derde lid, en § 3, van de voormelde codex, zijn de processen-verbaal en de verslagen van vaststelling, die zijn opgesteld wegens de schending van de regelgeving, vermeld in artikel 1, eerste lid, 1° tot en met 5°, 10° en 11°, van dit besluit, en die aanwezig zijn in het digitaal klassement, vermeld in het eerste lid toegankelijk voor de volgende bestuurlijke overheden, vermeld in artikel 80, derde lid, 6° van het voormelde decreet:
  1° de wooninspecteurs, vermeld in artikel 1.3, § 1, eerste lid, 69°, van de voormelde codex;
  2° de agenten van de gerechtelijke politie die door de Vlaamse Regering zijn aangewezen voor de handhaving van boek 3, deel 9, van de voormelde codex;
  3° de burgemeesters.".

  Art. 12. In hetzelfde besluit wordt een artikel 8/1 ingevoegd, dat luidt als volgt:
  "Art. 8/1. Voor de opdrachten van gerechtelijke en bestuurlijke politie zijn de processen-verbaal en de verslagen van vaststelling, vermeld in artikel 1/1, artikel 2, eerste lid, 1°, artikel 4, eerste lid, 1°, en artikel 6, eerste lid, 1°, van dit besluit, die aanwezig zijn in het digitaal klassement, vermeld in artikel 4, § 1, derde lid, van het Kaderdecreet Vlaamse Handhaving van 14 juli 2023, toegankelijk voor de politiediensten, vermeld in artikel 2 van de wet van 5 augustus 1992 op het politieambt, en de gemeentelijke, intergemeentelijke, provinciale of Vlaamse inspectiediensten, die de volgende personen tewerkstellen:
  1° de sociaalrechtelijke inspecteurs, vermeld in artikel 3, 10°, van het decreet houdende sociaalrechtelijk toezicht van 30 april 2004;
  2° de toezichthouders, vermeld in artikel 16.3.1 van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid;
  3° de verbalisanten ruimtelijke ordening, vermeld in artikel 6.1.1, 8°, van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening van 15 mei 2009;
  4° de wooninspecteurs, vermeld in artikel 1.3, § 1, eerste lid, 69°, van de Vlaamse Codex Wonen van 2021;
  5° de agenten van de gerechtelijke politie, vermeld in artikel 23, § 1, van het kaderdecreet betreffende de bestuurlijke handhaving van 22 maart 2019, zoals van kracht tot en met en 7 september 2023, en de bestuurlijke opsporingsagenten, vermeld in artikel 26, § 1, van het voormelde decreet, zoals van kracht tot en met en 7 september 2023, die door de Vlaamse Regering zijn aangewezen voor de handhaving van boek 3, deel 9, van de Vlaamse Codex Wonen van 2021.".

  Art. 13. Artikel 8/1 van hetzelfde besluit, ingevoegd bij artikel 12, wordt vervangen door wat volgt:
  "Art. 8/1. Voor de opdrachten van gerechtelijke en bestuurlijke politie zijn de processen-verbaal en de verslagen van vaststelling, die aanwezig zijn in het digitaal klassement, vermeld in artikel 4, § 1, derde lid, van het Kaderdecreet Vlaamse Handhaving van 14 juli 2023, en die zijn opgesteld wegens de schending van de regelgeving, vermeld in artikel 1, eerste lid, 1°, 3°, 5° en 9°, van dit besluit, toegankelijk voor de politiediensten, vermeld in artikel 2 van de wet van 5 augustus 1992 op het politieambt, en de gemeentelijke, intergemeentelijke, provinciale of Vlaamse inspectiediensten die de toezichthouders, vermeld in artikel 2, 15°, van het kaderdecreet betreffende de bestuurlijke handhaving van 22 maart 2019, zoals van kracht tot en met en 7 september 2023, en artikel 2, 30°, van het Kaderdecreet Vlaamse Handhaving van 14 juli 2023, of de sociaalrechtelijke inspecteurs, vermeld in artikel 3, 10°, van het decreet houdende sociaalrechtelijk toezicht van 30 april 2004, die bevoegd zijn voor de handhaving van de regelgeving, vermeld in artikel 1, eerste lid, 1°, 3°, 5° en 9°, van dit besluit, tewerkstellen.".

  Art. 14. In hetzelfde besluit wordt een artikel 8/2 ingevoegd, dat luidt als volgt:
  "Art. 8/2. Voor de opdrachten van gerechtelijke en bestuurlijke politie zijn de processen-verbaal en de verslagen van vaststelling, vermeld in artikel 7, 1°, van dit besluit, die aanwezig zijn in het digitaal klassement, vermeld in artikel 4, § 1, derde lid, van het Kaderdecreet Vlaamse Handhaving van 14 juli 2023, toegankelijk voor de politiediensten, vermeld in artikel 2 van de wet van 5 augustus 1992 op het politieambt, en de gemeentelijke, intergemeentelijke of Vlaamse inspectiediensten die de toezichthouders, vermeld in artikel 2, 15°, van het kaderdecreet betreffende de bestuurlijke handhaving van 22 maart 2019, zoals van kracht tot en met en 7 september 2023, die bevoegd zijn voor de handhaving van de regelgeving, vermeld in artikel 1, 6°, van dit besluit, tewerkstellen.
  Voor het opleggen of doen opleggen van publieke herstel- en beveiligingsmaatregelen zijn de processen-verbaal en de verslagen van vaststelling, vermeld in artikel 7, 1°, van dit besluit, die aanwezig zijn in het digitaal klassement, vermeld in het eerste lid, toegankelijk voor de waterwegbeheerders, vermeld in artikel 49, § 2, van het Scheepvaartdecreet van 21 januari 2022, om de maatregelen, vermeld in dat artikel, op te leggen.".

  Art. 15. In hetzelfde besluit, gewijzigd bij dit besluit, wordt een artikel 8/3 ingevoegd, dat luidt als volgt:
  "Art. 8/3. Voor de opdrachten van gerechtelijke en bestuurlijke politie zijn de processen-verbaal en de verslagen van vaststelling, die aanwezig zijn in het digitaal klassement, vermeld in artikel 4, § 1, derde lid, van het Kaderdecreet Vlaamse Handhaving van 14 juli 2023, en die zijn opgesteld wegens de schending van de regelgeving, vermeld in artikel 1, eerste lid, 1°, van dit besluit, toegankelijk voor de ambtenaren, vermeld in artikel 5.4.1.3, tweede lid, van het decreet van 18 juli 2003 betreffende het integraal waterbeleid, gecoördineerd op 15 juni 2018.".

  Art. 16.
  <Opgeheven bij BVR 2026-06-05/21, art. 6, 002; Inwerkingtreding : 01-07-2026>

  Art. 17. In artikel 9 van hetzelfde besluit wordt een punt 7° toegevoegd, dat luidt als volgt:
  "7° de processen-verbaal, vermeld in het decreet houdende sociaalrechtelijk toezicht van 30 april 2004, overeen met de processen-verbaal, vermeld in artikel 4, § 1, eerste lid, 1° van het Kaderdecreet Vlaamse Handhaving van 14 juli 2023, wanneer daarin misdrijven als vermeld in artikel 2, 19° van het voormelde decreet worden vastgesteld, en met de verslagen van vaststelling, vermeld in artikel 4, § 1, eerste lid, 1° van het voormelde decreet, wanneer daarin alleen inbreuken als vermeld in artikel 2, 17° van het voormelde decreet worden vastgesteld.".

  Art. 18. Artikel 9 van hetzelfde besluit, gewijzigd bij artikel 17, wordt vervangen door wat volgt:
  "Art. 9. Voor de toepassing van dit besluit komen:
  1° de processen-verbaal en de verslagen van vaststelling, vermeld in artikel 6, eerste lid, 1°, en artikel 7, 1°, van dit besluit, overeen met de processen-verbaal en de verslagen van vaststelling, vermeld in artikel 9, § 2, van het Kaderdecreet Vlaamse Handhaving van 14 juli 2023;
  2° de beslissingen en de kennisgevingen, vermeld in artikel 6, eerste lid, 2°, en artikel 7, 2°, van dit besluit, overeen met de beslissingen en kennisgevingen, vermeld in artikel 4, § 1, 3°, van het voormelde decreet;
  3° de processen-verbaal, vermeld in het decreet houdende sociaalrechtelijk toezicht van 30 april 2004, overeen met de processen-verbaal, vermeld in artikel 4, § 1, eerste lid, 1° van het Kaderdecreet Vlaamse Handhaving van 14 juli 2023, wanneer daarin misdrijven als vermeld in artikel 2, 19° van het voormelde decreet worden vastgesteld, en met de verslagen van vaststelling, vermeld in artikel 4, § 1, eerste lid, 1° van het voormelde decreet, wanneer daarin alleen inbreuken als vermeld in artikel 2, 17° van het voormelde decreet worden vastgesteld.".

  Art. 19. In artikel 9, 2°, van hetzelfde besluit, vervangen bij artikel 18, wordt tussen de zinsnede "van dit besluit," en de zinsnede ", overeen" de zinsnede "en artikel 29quater, § 4, tweede en vierde lid, van de wet betreffende de politie over het wegverkeer, gecoördineerd op 16 maart 1968" ingevoegd.

  HOOFDSTUK 2. - Slotbepalingen

  Art. 20. Voor de sanctiebeslissingen en de kennisgeving ervan, vermeld in artikel 16.4.37 en 16.4.43 van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid, zoals van kracht tot en met 31 maart 2026, geldt de verplichting tot opmaak in elektronische vorm niet voor de bestuurlijke vervolgingen waar de kennisgeving van het voornemen tot het opleggen van een alternatieve of exclusieve bestuurlijke geldboete of van het voorstel tot betalen van een geldsom, vermeld in artikel 16.4.36 en 16.4.41 van het voormelde decreet, zoals van kracht tot en met 31 maart 2026, dateert van vóór 15 januari 2024.
  Voor de sanctiebeslissingen en de kennisgeving ervan, vermeld in artikel 6.2.12, § 2, en artikel 6.2.13, § 4, tweede lid, van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening van 15 mei 2009, zoals van kracht tot en met 31 maart 2026, geldt de verplichting tot opmaak in elektronische vorm niet voor de bestuurlijke vervolgingen waar de kennisgeving van het voornemen tot het opleggen van een exclusieve of alternatieve bestuurlijke geldboete, vermeld in artikel 6.2.12 en 6.2.13 van de voormelde codex, of van het voorstel tot betalen van een geldsom, vermeld in artikel 6.2.14 van de voormelde codex, zoals van kracht tot en met 31 maart 2026, dateert van vóór 15 december 2023.
  Voor de sanctiebeslissingen en de kennisgeving ervan, vermeld in artikel 12, § 4 van het decreet van 5 februari 2016 houdende het toeristische logies, zoals van toepassing tot 1 april 2026, geldt de verplichting tot opmaak in elektronische vorm niet voor die bestuurlijke vervolgingen waar de kennisgeving van het voornemen tot het opleggen van een administratieve geldboete in de zin van artikel 12, § 1 van voormeld decreet, zoals van toepassing tot 1 april 2026, dateert van voor de datum van 1 april 2026.

  Art. 21. Dit besluit treedt in werking op 1 april 2026, met uitzondering van:
  1° artikel 1, 2°, artikel 2, 9, 12, 14, 17 en 22, die in werking treden op de dag van de bekendmaking van dit besluit in het Belgisch Staatsblad;
  2° artikel 1, 4°, artikel 5, 7, 16 en 19, die in werking treden op 31 december 2026.

  Art. 22. De Vlaamse minister, bevoegd voor de economie, de Vlaamse minister, bevoegd voor het woonbeleid, de Vlaamse minister, bevoegd voor het toerisme, de Vlaamse minister, bevoegd voor het onroerend erfgoed, de Vlaamse minister, bevoegd voor justitie en handhaving, de Vlaamse minister, bevoegd voor werk, de Vlaamse minister, bevoegd voor de cultuur, de Vlaamse minister, bevoegd voor de omgeving en de natuur, de Vlaamse minister, bevoegd voor de weggebonden mobiliteit en het weggebonden transport, en de Vlaamse minister, bevoegd voor de watergebonden mobiliteit en het watergebonden transport, zijn, ieder wat hem of haar betreft, belast met de uitvoering van dit besluit.

Handtekening

   Brussel, 26 september 2025.
De minister-president van de Vlaamse Regering, Vlaams minister van Economie, Innovatie en Industrie, Buitenlandse Zaken, Digitalisering en Facilitair Management,
M. DIEPENDAELE
De Vlaamse minister van Wonen, Energie en Klimaat, Toerisme en Jeugd,
M. DEPRAETERE
De Vlaamse minister van Begroting en Financiën, Vlaamse Rand, Onroerend Erfgoed en Dierenwelzijn,
B. WEYTS
De Vlaamse minister van Onderwijs, Justitie en Werk,
Z. DEMIR
De Vlaamse minister van Welzijn en Armoedebestrijding, Cultuur en Gelijke Kansen,
C. GENNEZ
De Vlaamse minister van Omgeving en Landbouw,
J. BROUNS
De Vlaamse minister van Mobiliteit, Openbare Werken, Havens en Sport,
A. DE RIDDER

Aanhef

   Rechtsgronden
   Dit besluit is gebaseerd op:
   - het Kaderdecreet Vlaamse Handhaving van 14 juli 2023, artikel 3, derde lid, artikel 4, § 1, tweede lid, en § 5, artikel 78, § 1, tweede lid, artikel 80, derde lid, en artikel 82, tweede lid.
   Vormvereisten
   De volgende vormvereisten zijn vervuld:
   - De Vlaamse minister, bevoegd voor het budgettair beleid, heeft zijn akkoord gegeven op 28 april 2025.
   - De Vlaamse toezichtscommissie voor de verwerking van persoonsgegevens heeft advies nr. 2025/033 gegeven op 3 juni 2025.
   - De Raad van State heeft advies 77.915/1/V gegeven op 18 augustus 2025, met toepassing van artikel 84, § 1, eerste lid, 2°, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973.
   Initiatiefnemer
   Dit besluit wordt voorgesteld door de Vlaamse minister van Economie, Innovatie en Industrie, Buitenlandse Zaken, Digitalisering en Facilitair Management, de Vlaamse minister van Wonen, Energie en Klimaat, Toerisme en Jeugd, de Vlaamse minister van Begroting en Financiën, Vlaamse Rand, Onroerend Erfgoed en Dierenwelzijn, de Vlaamse minister van Onderwijs, Justitie en Werk, de Vlaamse minister van Welzijn en Armoedebestrijding, Cultuur en Gelijke Kansen, de Vlaamse minister van Omgeving en Landbouw, de Vlaamse minister van Mobiliteit, Openbare Werken, Havens en Sport.
   Na beraadslaging,
   DE VLAAMSE REGERING BESLUIT: