1804032155

21 MAART 1804. - [OUD] BURGERLIJK WETBOEK. - BOEK III : Wijze van eigendomsverkrijging. - TITEL XIV tot XX (art. 2011-2281) (Opschrift gewijzigd door W 2019-04-13/28, art. 2, 018; Inwerkingtreding : 01-11-2020) (zie 2013-07-11/22) (NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 15-07-1994 en tekstbijwerking tot 10-03-2026)

Publicatie: 3 september 1807

Nummer: 1804032155

bladzijde: 0

Dossiernummer: 1804-03-21/35

Inwerkingtreding : 13 september 1807

23 gearchiveerde versies

4 uitvoeringbesluiten

Inhoudstafel

TITEL XIV.
HOOFDSTUK I.
Art. 2011-2020
HOOFDSTUK II.
AFDELING I.
Art. 2021-2027
AFDELING II.
Art. 2028-2032
AFDELING III.
Art. 2033
HOOFDSTUK III.
Art. 2034-2039
HOOFDSTUK IV.
Art. 2040-2043
HOOFDSTUK V.
Art. 2043bis, 2043ter, 2043quater, 2043quinquies, 2043sexies, 2043septies, 2043octies
TITEL XV. - DADING.
Art. 2044-2058
TITEL XVI. - LIJFSDWANG IN BURGERLIJKE ZAKEN.
Art. 2059-2070
TITEL XVII. [1 - Zakelijke zekerheden op roerende goederen]1
Art. 2071-2072
TITEL XVIII. - VOORRECHTEN EN HYPOTHEKEN.
TITEL XIX. - GERECHTELIJKE UITWINNING EN RANGREGELING ONDER DE SCHULDEISERS.
Art. 2204-2218
TITEL XX. - VERJARING.
HOOFDSTUK I. - ALGEMENE BEPALINGEN.
Art. 2219-2227
HOOFDSTUK II. - BEZIT.
Art. 2228-2235
HOOFDSTUK III. - OORZAKEN DIE DE VERJARING VERHINDEREN.
Art. 2236-2241
HOOFDSTUK IV. - OORZAKEN DIE DE VERJARING STUITEN OF SCHORSEN.
AFDELING I. - OORZAKEN DIE DE VERJARING STUITEN.
Art. 2242-2250
AFDELING II. - OORZAKEN DIE DE LOOP VAN DE VERJARING SCHORSEN.
Art. 2251-2259
HOOFDSTUK V. - TIJD DIE VOOR DE VERJARING VEREIST IS.
AFDELING I. - ALGEMENE BEPALINGEN.
Art. 2260-2261
AFDELING II. - <W 1998-06-10/39, art. 7, 004; Inwerkingtreding : 27-07-1998> (ALGEMENE TERMIJNEN VAN VERJARING.)
Art. 2262, 2262bis, 2263-2264
AFDELING III. - TIENJARIGE EN TWINTIGJARIGE VERJARING.
Art. 2265-2270
AFDELING IV. - ENIGE BIJZONDERE VERJARINGEN.
Art. 2271-2276, 2276bis, 2276ter, 2276quater, 2276quinquies, 2277, 2277bis, 2277ter, 2278-2280
TITEL XXI. - (KENNISGEVING). <W 2001-10-20/40, art. 3; Inwerkingtreding : 01-01-2001>
Art. 2281

Tekst

TITEL XIV.
  <Opgeheven bij W 2025-06-05/09, art. 3, 023; Inwerkingtreding : 01-01-2026>

  HOOFDSTUK I.
  <Opgeheven bij W 2025-06-05/09, art. 3, 023; Inwerkingtreding : 01-01-2026>

  Artikel 2011.
  <Opgeheven bij W 2025-06-05/09, art. 3, 023; Inwerkingtreding : 01-01-2026>

  Art. 2012.
  <Opgeheven bij W 2025-06-05/09, art. 3, 023; Inwerkingtreding : 01-01-2026>

  Art. 2013.
  <Opgeheven bij W 2025-06-05/09, art. 3, 023; Inwerkingtreding : 01-01-2026>

  Art. 2014.
  <Opgeheven bij W 2025-06-05/09, art. 3, 023; Inwerkingtreding : 01-01-2026>

  Art. 2015.
  <Opgeheven bij W 2025-06-05/09, art. 3, 023; Inwerkingtreding : 01-01-2026>

  Art. 2016.
  <Opgeheven bij W 2025-06-05/09, art. 3, 023; Inwerkingtreding : 01-01-2026>

  Art. 2017.
  <Opgeheven bij W 2025-06-05/09, art. 3, 023; Inwerkingtreding : 01-01-2026>

  Art. 2018.
  <Opgeheven bij W 2025-06-05/09, art. 3, 023; Inwerkingtreding : 01-01-2026>

  Art. 2019.
  <Opgeheven bij W 2025-06-05/09, art. 3, 023; Inwerkingtreding : 01-01-2026>

  Art. 2020.
  <Opgeheven bij W 2025-06-05/09, art. 3, 023; Inwerkingtreding : 01-01-2026>

  HOOFDSTUK II.
  <Opgeheven bij W 2025-06-05/09, art. 3, 023; Inwerkingtreding : 01-01-2026>

  AFDELING I.
  <Opgeheven bij W 2025-06-05/09, art. 3, 023; Inwerkingtreding : 01-01-2026>

  Art. 2021.
  <Opgeheven bij W 2025-06-05/09, art. 3, 023; Inwerkingtreding : 01-01-2026>

  Art. 2022.
  <Opgeheven bij W 2025-06-05/09, art. 3, 023; Inwerkingtreding : 01-01-2026>

  Art. 2023.
  <Opgeheven bij W 2025-06-05/09, art. 3, 023; Inwerkingtreding : 01-01-2026>

  Art. 2024.
  <Opgeheven bij W 2025-06-05/09, art. 3, 023; Inwerkingtreding : 01-01-2026>

  Art. 2025.
  <Opgeheven bij W 2025-06-05/09, art. 3, 023; Inwerkingtreding : 01-01-2026>

  Art. 2026.
  <Opgeheven bij W 2025-06-05/09, art. 3, 023; Inwerkingtreding : 01-01-2026>

  Art. 2027.
  <Opgeheven bij W 2025-06-05/09, art. 3, 023; Inwerkingtreding : 01-01-2026>

  AFDELING II.
  <Opgeheven bij W 2025-06-05/09, art. 3, 023; Inwerkingtreding : 01-01-2026>

  Art. 2028.
  <Opgeheven bij W 2025-06-05/09, art. 3, 023; Inwerkingtreding : 01-01-2026>

  Art. 2029.
  <Opgeheven bij W 2025-06-05/09, art. 3, 023; Inwerkingtreding : 01-01-2026>

  Art. 2030.
  <Opgeheven bij W 2025-06-05/09, art. 3, 023; Inwerkingtreding : 01-01-2026>

  Art. 2031.
  <Opgeheven bij W 2025-06-05/09, art. 3, 023; Inwerkingtreding : 01-01-2026>

  Art. 2032.
  <Opgeheven bij W 2025-06-05/09, art. 3, 023; Inwerkingtreding : 01-01-2026>

  AFDELING III.
  <Opgeheven bij W 2025-06-05/09, art. 3, 023; Inwerkingtreding : 01-01-2026>

  Art. 2033.
  <Opgeheven bij W 2025-06-05/09, art. 3, 023; Inwerkingtreding : 01-01-2026>

  HOOFDSTUK III.
  <Opgeheven bij W 2025-06-05/09, art. 3, 023; Inwerkingtreding : 01-01-2026>

  Art. 2034.
  <Opgeheven bij W 2025-06-05/09, art. 3, 023; Inwerkingtreding : 01-01-2026>

  Art. 2035.
  <Opgeheven bij W 2025-06-05/09, art. 3, 023; Inwerkingtreding : 01-01-2026>

  Art. 2036.
  <Opgeheven bij W 2025-06-05/09, art. 3, 023; Inwerkingtreding : 01-01-2026>

  Art. 2037.
  <Opgeheven bij W 2025-06-05/09, art. 3, 023; Inwerkingtreding : 01-01-2026>

  Art. 2038.
  <Opgeheven bij W 2025-06-05/09, art. 3, 023; Inwerkingtreding : 01-01-2026>

  Art. 2039.
  <Opgeheven bij W 2025-06-05/09, art. 3, 023; Inwerkingtreding : 01-01-2026>

  HOOFDSTUK IV.
  <Opgeheven bij W 2025-06-05/09, art. 3, 023; Inwerkingtreding : 01-01-2026>

  Art. 2040.
  <Opgeheven bij W 2025-06-05/09, art. 3, 023; Inwerkingtreding : 01-01-2026>

  Art. 2041.
  <Opgeheven bij W 2025-06-05/09, art. 3, 023; Inwerkingtreding : 01-01-2026>

  Art. 2042.
  <Opgeheven bij W 2025-06-05/09, art. 3, 023; Inwerkingtreding : 01-01-2026>

  Art. 2043.
  <Opgeheven bij W 2025-06-05/09, art. 3, 023; Inwerkingtreding : 01-01-2026>

  HOOFDSTUK V.
  <Opgeheven bij W 2025-06-05/09, art. 3, 023; Inwerkingtreding : 01-01-2026>

  Art. 2043bis.
  <Opgeheven bij W 2025-06-05/09, art. 3, 023; Inwerkingtreding : 01-01-2026>

  Art. 2043ter.
  <Opgeheven bij W 2025-06-05/09, art. 3, 023; Inwerkingtreding : 01-01-2026>

  Art. 2043quater.
  <Opgeheven bij W 2025-06-05/09, art. 3, 023; Inwerkingtreding : 01-01-2026>

  Art. 2043quinquies.
  <Opgeheven bij W 2025-06-05/09, art. 3, 023; Inwerkingtreding : 01-01-2026>

  Art. 2043sexies.
  <Opgeheven bij W 2025-06-05/09, art. 3, 023; Inwerkingtreding : 01-01-2026>

  Art. 2043septies.
  <Opgeheven bij W 2025-06-05/09, art. 3, 023; Inwerkingtreding : 01-01-2026>

  Art. 2043octies.
  <Opgeheven bij W 2025-06-05/09, art. 3, 023; Inwerkingtreding : 01-01-2026>

  TITEL XV. - DADING.

  Art. 2044. Dading is een contract, waarbij partijen een gerezen geschil beëindigen, of een toekomstig geschil voorkomen.
  Dit contract moet schriftelijk opgemaakt worden.

  Art. 2045.Om een dading aan te gaan, moet men bekwaam zijn om te beschikken over de voorwerpen die in de dading begrepen zijn.
  (De voogd kan voor de minderjarige [1 ...]1 alleen met inachtneming van de vormen omschreven in artikel 410, § 1, een dading aangaan en hij kan met de meerderjarig geworden minderjarige over de voogdijrekening alleen overeenkomstig artikel 416, eerste lid, een dading aangaan.) <W 2001-04-29/39, art. 42, 008; Inwerkingtreding : 01-08-2001>
  [1 De bewindvoerder kan voor de persoon die krachtens artikel 492/1 onbekwaam werd verklaard om een dading af te sluiten alleen met inachtneming van de vormen voorgeschreven in artikel 499/7, § 2, eerste lid, 10°, een dading aangaan en hij kan na de beëindiging van zijn opdracht alleen overeenkomstig artikel 499/18 een dading over de bewindsrekening aangaan.]1
  De gemeenten en de openbare instellingen kunnen geen dading aangaan (dan met de machtiging voorgeschreven bij artikel 49 van de organieke wet van 10 maart 1925 op de openbare onderstand). <W 15-12-1949, art. 27>.
  ----------
  (1)<W 2013-03-17/14, art. 144, 013; Inwerkingtreding : 01-09-2014 (W 2014-05-12/02, art. 22)>

  Art. 2046. Dading kan worden aangegaan over de burgerlijke belangen die uit een misdrijf ontstaan.
  Zij verhindert de vervolging van het openbaar ministerie niet.

  Art. 2047. Aan een dading kan een strafbeding worden toegevoegd tegen hem die mocht in gebreke blijven de dading na te komen.

  Art. 2048. Dadingen blijven beperkt tot hun voorwerp : wordt daarbij afstand gedaan van alle rechten, vorderingen en eisen, dan geldt zulks alleen voor hetgeen betrekking heeft op het geschil dat tot de dading aanleiding heeft gegeven.

  Art. 2049. Dadingen regelen slechts de geschillen die daarin zijn begrepen, hetzij partijen hun bedoeling in bijzondere of in algemene bewoordingen hebben uitgedrukt, hetzij die bedoeling als een noodzakelijk gevolg wordt afgeleid van hetgeen is uitgedrukt.

  Art. 2050. Hij die een dading heeft aangegaan over een recht dat hem uit eigen hoofde toebehoorde, en die vervolgens een dergelijk recht van een ander verkrijgt, is, met betrekking tot het nieuw verkregen recht, door de vorige dading geenszins gebonden.

  Art. 2051. Een dading, door een van de belanghebbenden aangegaan, verbindt de overige belanghebbenden niet, en kan door hen niet worden ingeroepen.

  Art. 2052. Dadingen hebben tussen partijen kracht van gewijsde in hoogste aanleg.
  Men kan er niet tegen opkomen uit hoofde van dwaling omtrent het recht of uit hoofde van benadeling.

  Art. 2053. Niettemin kan een dading vernietigd worden, wanneer er dwaling heeft plaatsgehad in de persoon of omtrent het voorwerp van het geschil.
  Zij kan vernietigd worden in alle gevallen waarin bedrog of geweld heeft plaatsgehad.

  Art. 2054. Vernietiging van een dading kan eveneens gevorderd worden, wanneer de dading is aangegaan ter uitvoering van een titel die nietig was, behalve in het geval dat partijen uitdrukkelijk over de nietigheid een dading hebben aangegaan.

  Art. 2055. Een dading, aangegaan op grond van stukken die naderhand vals bevonden zijn, is geheel nietig.

  Art. 2056. Een dading over een geding dat reeds beëindigd is door een vonnis dat in kracht van gewijsde is gegaan en waarvan partijen of een van hen geen kennis droegen, is nietig.
  Indien het vonnis waarvan partijen onkundig waren, voor hoger beroep vatbaar was, is de dading geldig.

  Art. 2057. Wanneer partijen een dading hebben aangegaan in het algemeen over alle zaken die zij met elkaar uitstaande mochten hebben, leveren de titels die hun toen onbekend waren en die naderhand ontdekt zijn, geen grond op tot vernietiging, tenzij die titels door toedoen van een der partijen waren achtergehouden.
  Maar de dading is nietig, indien zij slechts een enkele zaak betreft en uit naderhand ontdekte titels blijkt dat een van de partijen daarop niet het minste recht had.

  Art. 2058. Een rekenfout, bij een dading gemaakt, moet verbeterd worden.

  TITEL XVI. - LIJFSDWANG IN BURGERLIJKE ZAKEN.

  Art. 2059. (Opgeheven) <W 21-03-1859, art. 48>.

  Art. 2060. (Opgeheven) <W 21-03-1859, art. 48>.

  Art. 2061. (Opgeheven) <W 21-03-1859, art. 48>.

  Art. 2062. (Opgeheven) <W 21-03-1859, art. 48>.

  Art. 2063. (Opgeheven) <W 21-03-1859, art. 48>.

  Art. 2064. (Opgeheven) <W 21-03-1859, art. 48>.

  Art. 2065. (Opgeheven) <W 21-03-1859, art. 48>.

  Art. 2066. (Opgeheven) <W 21-03-1859, art. 48>.

  Art. 2067. (Opgeheven) <W 21-03-1859, art. 48>.

  Art. 2068. (Opgeheven) <W 21-03-1859, art. 48>.

  Art. 2069. (Opgeheven) <W 21-03-1859, art. 48>.

  Art. 2070. (Opgeheven) <W 21-03-1859, art. 48>.

  TITEL XVII. [1 - Zakelijke zekerheden op roerende goederen]1
  
  (NOTA: Titel XVII wordt 2013-07-11/19)
  ----------
  (1)<W 2013-07-11/19, art. 2-89, 014; Inwerkingtreding : 01-01-2018>

  Art. 2071.
  <Opgeheven bij W 2013-07-11/19, art. 2, 014; Inwerkingtreding : 01-01-2018>

  Art. 2072.
  <Opgeheven bij W 2013-07-11/19, art. 2, 014; Inwerkingtreding : 01-01-2018>

  TITEL XVIII. - VOORRECHTEN EN HYPOTHEKEN.
  (NOTA : De artikelen 2092 tot 2203 werd vervangen door art. 1 van de W van 16 december 1851. Voor de tekst, zie 1851-12-16/01)

  TITEL XIX. - GERECHTELIJKE UITWINNING EN RANGREGELING ONDER DE SCHULDEISERS.

  Art. 2204. (Opgeheven) <W 10-10-1967, art. 24>.

  Art. 2205. (Opgeheven) <W 10-10-1967, art. 24>.

  Art. 2206. (Opgeheven) <W 10-10-1967, art. 24>.

  Art. 2207. (Opgeheven) <W 10-10-1967, art. 24>.

  Art. 2208. (Opgeheven) <W 10-10-1967, art. 24>.

  Art. 2209. (Opgeheven) <W 10-10-1967, art. 24>.

  Art. 2210. (Opgeheven) <W 10-10-1967, art. 24>.

  Art. 2211. (Opgeheven) <W 10-10-1967, art. 24>.

  Art. 2212. (Opgeheven) <W 10-10-1967, art. 24>.

  Art. 2213. (Opgeheven) <W 10-10-1967, art. 24>.

  Art. 2214. (Opgeheven) <W 10-10-1967, art. 24>.

  Art. 2215. (Opgeheven) <W 10-10-1967, art. 24>.

  Art. 2216. (Opgeheven) <W 10-10-1967, art. 24>.

  Art. 2217. (Opgeheven) <W 10-10-1967, art. 24>.

  Art. 2218. (Opgeheven) <W 10-10-1967, art. 24>.

  TITEL XX. - VERJARING.

  HOOFDSTUK I. - ALGEMENE BEPALINGEN.

  Art. 2219. Verjaring is een middel om, door verloop van een zekere tijd en onder de voorwaarden die de wet bepaalt, iets te verkrijgen of van een verbintenis bevrijd te worden.

  Art. 2220. Men kan vooraf geen afstand doen van de verjaring; men kan wel afstand doen van een verkregen verjaring.

  Art. 2221. Afstand van verjaring geschiedt uitdrukkelijk of stilzwijgend; de stilzwijgende afstand wordt afgeleid uit een daad die doet veronderstellen dat men zijn verkregen recht heeft laten varen.

  Art. 2222. Hij die niet kan vervreemden kan geen afstand doen van een verkregen verjaring.

  Art. 2223.De rechter mag het middel van verjaring niet ambtshalve toepassen.
  [1 In afwijking van het eerste lid mag de rechter het middel van verjaring ambtshalve toepassen in het kader van de rechtsplegingen met betrekking tot betaling van een geldschuld ingesteld door een onderneming als bedoeld in artikel I.1, eerste lid, 1°, van het Wetboek van economisch recht, tegen een consument als bedoeld in artikel I.1, eerste lid, 2°, van het Wetboek van economisch recht.]1
  ----------
  (1)<W 2024-05-15/20, art. 2, 022; Inwerkingtreding : 01-10-2024>

  Art. 2224. Men kan zich op verjaring beroepen in elke staat van het geding, zelfs voor het hof van beroep, tenzij de omstandigheden doen vermoeden dat de partij die zich op het middel van verjaring niet heeft beroepen, daarvan afstand heeft gedaan.

  Art. 2225. Schuldeisers, of alle andere personen die er belang bij hebben dat de verjaring verkregen is, kunnen zich daarop beroepen, hoewel de schuldenaar of de eigenaar ervan afstand doet.

  Art. 2226. Men kan door verjaring de eigendom niet verkrijgen van zaken die buiten de handel zijn.

  Art. 2227. De Staat, de openbare instellingen en de gemeenten zijn aan dezelfde verjaringen onderworpen als bijzondere personen en kunnen zich eveneens daarop beroepen.

  HOOFDSTUK II. - BEZIT.

  Art. 2228.
  <Opgeheven bij W 2020-02-04/16, art. 29,5°, 019; Inwerkingtreding : 01-09-2021>

  Art. 2229.
  <Opgeheven bij W 2020-02-04/16, art. 29,5°, 019; Inwerkingtreding : 01-09-2021>

  Art. 2230.
  <Opgeheven bij W 2020-02-04/16, art. 29,5°, 019; Inwerkingtreding : 01-09-2021>

  Art. 2231.
  <Opgeheven bij W 2020-02-04/16, art. 29,5°, 019; Inwerkingtreding : 01-09-2021>

  Art. 2232.
  <Opgeheven bij W 2020-02-04/16, art. 29,5°, 019; Inwerkingtreding : 01-09-2021>

  Art. 2233.
  <Opgeheven bij W 2020-02-04/16, art. 29,5°, 019; Inwerkingtreding : 01-09-2021>

  Art. 2234.
  <Opgeheven bij W 2020-02-04/16, art. 29,5°, 019; Inwerkingtreding : 01-09-2021>

  Art. 2235.
  <Opgeheven bij W 2020-02-04/16, art. 29,5°, 019; Inwerkingtreding : 01-09-2021>

  HOOFDSTUK III. - OORZAKEN DIE DE VERJARING VERHINDEREN.

  Art. 2236.
  <Opgeheven bij W 2020-02-04/16, art. 29,6°, 019; Inwerkingtreding : 01-09-2021>

  Art. 2237.
  <Opgeheven bij W 2020-02-04/16, art. 29,6°, 019; Inwerkingtreding : 01-09-2021>

  Art. 2238.
  <Opgeheven bij W 2020-02-04/16, art. 29,6°, 019; Inwerkingtreding : 01-09-2021>

  Art. 2239.
  <Opgeheven bij W 2020-02-04/16, art. 29,6°, 019; Inwerkingtreding : 01-09-2021>

  Art. 2240.
  <Opgeheven bij W 2020-02-04/16, art. 29,6°, 019; Inwerkingtreding : 01-09-2021>

  Art. 2241. Men kan verjaring verkrijgen in strijd met zijn titel, in die zin dat men zich door verjaring bevrijdt van de verbintenis die men heeft aangegaan.

  HOOFDSTUK IV. - OORZAKEN DIE DE VERJARING STUITEN OF SCHORSEN.

  AFDELING I. - OORZAKEN DIE DE VERJARING STUITEN.

  Art. 2242. Stuiting van de verjaring kan of natuurlijk of burgerlijk zijn.

  Art. 2243.
  <Opgeheven bij W 2020-02-04/16, art. 29,7°, 019; Inwerkingtreding : 01-09-2021>

  Art. 2244.[1 § 1.]1 Een dagvaarding voor het gerecht, een bevel tot betaling, [2 , een aanmaning tot betaling als bedoeld in artikel 1394/21 van het Gerechtelijk Wetboek]2 of een beslag, betekend aan hem die men wil beletten de verjaring te verkrijgen, vormen burgerlijke stuiting.
  (Een dagvaarding voor het gerecht stuit de verjaring tot het tijdstip waarop een definitieve beslissing wordt uitgesproken.
  Voor de toepassing van deze afdeling heeft een beroep tot vernietiging van een administratieve handeling bij de Raad van State [4 of een door de Staat, Gemeenschappen of Gewesten opgericht administratief rechtscollege]4 dezelfde gevolgen ten opzichte van de vordering tot herstel van de schade veroorzaakt door de vernietigde administratieve handeling als een dagvaarding voor het gerecht.) <W 2008-07-25/36, art. 2, 010; Inwerkingtreding : 01-09-2008>
  [1 § 2. Onverminderd [3 de artikelen 5.231 en 5.233]3, stuit een ingebrekestelling bij aangetekende zending met ontvangstbewijs verzonden door de advocaat van de schuldeiser, de gerechtsdeurwaarder daartoe aangesteld door de schuldeiser of de persoon die krachtens artikel 728, § 3, van het Gerechtelijk Wetboek in rechte mag verschijnen namens de schuldeiser, naar de schuldenaar met woonplaats, verblijfplaats of maatschappelijke zetel in België, tevens de verjaring en doet zij een nieuwe termijn van een jaar ingaan, evenwel zonder dat de vordering vóór de vervaldag van de initiële verjaringstermijn kan verjaren. De stuitende werking van deze ingebrekestelling is slechts eenmalig, onverminderd andere stuitingsoorzaken.
   Indien de door de wet bepaalde verjaringstermijn minder dan één jaar bedraagt, is de duur van de verlenging dezelfde als deze van de verjaringstermijn.
   De verjaring wordt gestuit op het ogenblik van de verzending van de ingebrekestelling bij aangetekende zending met ontvangstbewijs. De advocaat van de schuldeiser, de gerechtsdeurwaarder daartoe aangesteld door de schuldeiser of de persoon die krachtens artikel 728, § 3, van het Gerechtelijk Wetboek in rechte mag verschijnen namens de schuldeiser vergewist zich van de juiste gegevens van de schuldenaar aan de hand van een administratief document van minder dan een maand oud. Ingeval de bekende verblijfplaats verschilt van de woonplaats, zendt de advocaat van de schuldeiser, de gerechtsdeurwaarder daartoe aangesteld door de schuldeiser of de persoon die krachtens artikel 728, § 3, van het Gerechtelijk Wetboek in rechte mag verschijnen namens de schuldeiser, een kopie van zijn aangetekende zending naar die verblijfplaats.
   Om een verjaringsstuitende werking te hebben, moet de ingebrekestelling volledig en uitdrukkelijk de volgende vermeldingen bevatten :
   1° de gegevens van de schuldeiser : voor een natuurlijke persoon, de naam, de voornaam en het adres van de woonplaats, of, in voorkomend geval, van de verblijfplaats of van de gekozen woonplaats, overeenkomstig de artikelen 36 en 39 van het Gerechtelijk Wetboek; voor een rechtspersoon, de juridische vorm, de benaming en het adres van de maatschappelijke zetel of, in voorkomend geval, van de administratieve zetel, overeenkomstig artikel 35 van het Gerechtelijk Wetboek;
   2° de gegevens van de schuldenaar : voor een natuurlijke persoon, de naam, de voornaam en het adres van de woonplaats, of, in voorkomend geval, van de verblijfplaats of van de gekozen woonplaats, overeenkomstig de artikelen 36 en 39 van het Gerechtelijk Wetboek; voor een rechtspersoon, de juridische vorm, de benaming en het adres van de maatschappelijke zetel of, in voorkomend geval, van de administratieve zetel, overeenkomstig artikel 35 van het Gerechtelijk Wetboek;
   3° de beschrijving van de verbintenis die de schuldvordering heeft doen ontstaan;
   4° indien de schuldvordering betrekking heeft op een geldsom, de verantwoording van alle bedragen die van de schuldenaar worden geëist, met inbegrip van de schadevergoeding en de verwijlinteresten;
   5° de termijn waarbinnen de schuldenaar zijn verbintenissen kan nakomen alvorens bijkomende invorderingsmaatregelen kunnen worden getroffen;
   6° de mogelijkheid in rechte op te treden met het oog op de uitwerking van andere invorderingsmaatregelen indien de schuldenaar niet binnen de vastgestelde termijn reageert;
   7° de verjaringsstuitende werking van deze ingebrekestelling;
   8° de handtekening van de advocaat van de schuldeiser, van de gerechtsdeurwaarder daartoe aangesteld door de schuldeiser of van de persoon die krachtens artikel 728, § 3, van het Gerechtelijk Wetboek in rechte mag verschijnen namens de schuldeiser.]1
  
  (NOTA : bij arrest nr.40/2019 van 28-02-2019 (B.St. 25-03-2019, p. 28680), heeft het Grondwettelijk Hof het woord « vernietigde » in artikel 2244, § 1, derde lid, vernietigd)
  
  ----------
  (1)<W 2013-05-23/19, art. 2, 012; Inwerkingtreding : 11-07-2013>
  (2)<W 2017-07-06/24, art. 160, 015; Inwerkingtreding : 03-08-2017>
  (3)<W 2022-04-28/25, art. 28, 020; Inwerkingtreding : 01-01-2023>
  (4)<W 2022-02-24/26, art. 2, 021; Inwerkingtreding : 26-01-2024>

  Art. 2245. (Opgeheven) <W 15-12-1949, art. 29>.

  Art. 2246. Ook de dagvaarding voor een onbevoegde rechter stuit de verjaring.

  Art. 2247.[1 Eerste lid opgeheven.]1
  Indien de eiser afstand doet van zijn eis,
  (Derde lid opgeheven.)<W 15-12-1949, art. 28>.
  Of indien zijn eis wordt afgewezen.
  Wordt de stuiting voor niet bestaande gehouden.
  ----------
  (1)<W 2012-07-16/04, art. 2, 011; Inwerkingtreding : 13-08-2012>

  Art. 2248. De erkenning van het recht van hem tegen wie de verjaring loopt, door de schuldenaar of de bezitter gedaan, stuit de verjaring.

  Art. 2249. De ingebrekestelling van een der hoofdelijke schuldenaars, overeenkomstig de bovenstaande artikelen, of de erkenning van de schul door hem gedaan, stuit de verjaring tegen alle overige, zelfs tegen hun erfgenamen.
  De ingebrekestelling van een der erfgenamen van een hoofdelijke schuldenaar, of de erkenning van de schuld door die erfgenaam stuit de verjaring niet ten aanzien van de overige medeërfgenamen, zelfs niet in het geval van een hypothecaire schuld, tenzij de verbintenis ondeelbaar is.
  Die ingebrekestelling of die erkenning stuit de verjaring ten aanzien van de overige medeschuldenaars slechts voor het aandeel waarvoor die erfgenaam verbonden is.
  Om de verjaring ten aanzien van de overige medeschuldenaars te stuiten voor het geheel, is vereist de ingebrekestelling van alle erfgenamen van de overleden schuldenaar, of de erkenning door al die erfgenamen.

  Art. 2250. De ingebrekestelling van de hoofdschuldenaar, of de erkenning van de schuld door hem gedaan, stuit de verjaring tegen de borg;

  AFDELING II. - OORZAKEN DIE DE LOOP VAN DE VERJARING SCHORSEN.

  Art. 2251. De verjaring loopt tegen alle personen, behalve tegen hen voor wie de wet uitzondering maakt.

  Art. 2252.De verjaring loopt niet tegen minderjarigen en [1 beschermde personen wat betreft de handelingen waarvoor zij krachtens artikel 492/1 onbekwaam werden verklaard ]1, behoudens hetgeen in artikel 2278 bepaald is, en met uitzondering van de andere bij de wet bepaalde gevallen.
  ----------
  (1)<W 2013-03-17/14, art. 145, 013; Inwerkingtreding : 01-09-2014 (W 2014-05-12/02, art. 22)>

  Art. 2253. De verjaring loopt niet tussen echtgenoten.

  Art. 2254. <W 14-07-1976, art. IV, 17>. De verjaring loopt tegen de echtgenoot aan wie het bestuur van zijn goederen is ontnomen, behoudens zijn verhaal op de andere echtgenoot of op de lasthebber, in geval van nalatigheid.
  <NOTA : Bij wijze van overgangsmaatregel (zie art. IV, 47, § 2 W. 14 juli 1976) blijft de hierna volgende tekst van kracht in de voorziene gevallen : Ten aanzien van de goederen waarvan de man het beheer heeft, loopt de verjaring tegen de gehuwde vrouw, zelfs al is zij niet van goederen gescheiden bij huwelijkscontract of bij rechterlijk vonnis, behoudens haar verhaal op haar man.>

  Art. 2255. (Opgeheven) <W 14-07-1976, art. IV, 18>.
  <NOTA : Bij wijze van overgangsmaatregel (zie art. IV, 47, § 1 W.) blijft de hierna volgende tekst van kracht in de voorziene gevallen : De verjaring loopt echter niet, gedurende het huwelijk, met betrekking tot de vervreemding van een erf dat aan het dotaal stelsel onderworpen is, overeenkomstig artikel 1561, in de titel Huwelijkscontract en wederzijdse rechten van de echtgenoten.>

  Art. 2256. (Opgeheven) <W 14-07-1976, art. IV, 18>.
  <NOTA : Bij wijze van overgangsmaatregel (zie art. IV, 47, § 1 W.) blijft de hierna volgende tekst van kracht in de voorziene gevallen : De verjaring wordt eveneens geschorst gedurende het huwelijk :
  1° Ingeval de rechtsvordering van de vrouw niet kan worden uitgeoefend dan na een keuze omtrent de aanvaarding of de afstand van de gemeenschap;
  2° Ingeval de man die het eigen goed van de vrouw zonder haar toestemming verkocht heeft, de verkoop moet vrijwaren, en in alle andere gevallen waarin de vordering van de vrouw op de man zou terugkomen.>

  Art. 2257. De verjaring loopt niet :
  Ten aanzien van een schuldvordering die van een voorwaarde afhangt, zolang die voorwaarde niet vervuld is;
  Ten aanzien van een vordering tot vrijwaring, zolang de uitwinning niet heeft plaatsgehad;
  Ten aanzien van een schuldvordering die op een bepaalde dag vervalt, zolang die dag niet verschenen is.

  Art. 2258. De verjaring loopt niet tegen de erfgenaam onder voorrecht van boedelbeschrijving, ten aanzien van zijn schuldvorderingen ten laste van de nalatenschap.
  Zij loopt tegen een onbeheerde nalatenschap, hoewel er geen curator is aangesteld.

  Art. 2259. Zij loopt eveneens gedurende de drie maanden die voor het opmaken van de boedelbeschrijving en de veertig dagen die voor het beraad zijn verleend.

  HOOFDSTUK V. - TIJD DIE VOOR DE VERJARING VEREIST IS.

  AFDELING I. - ALGEMENE BEPALINGEN.

  Art. 2260. De verjaring wordt gerekend bij dagen, niet bij uren.

  Art. 2261. Zij is verkregen, wanneer de laatste dag van de vereiste tijd verlopen is.

  AFDELING II. - <W 1998-06-10/39, art. 7, 004; Inwerkingtreding : 27-07-1998> (ALGEMENE TERMIJNEN VAN VERJARING.)

  Art. 2262. <W 1998-06-10/39, art. 4, 004; Inwerkingtreding : 27-07-1998> Alle zakelijke rechtsvorderingen verjaren door verloop van dertig jaar, zonder dat hij die zich op deze verjaring beroept, verplicht is daarvan enige titel te vertonen of dat men hem de exceptie van kwade trouw kan tegenwerpen.

  Art. 2262bis. <Ingevoegd bij W 1998-06-10/39, art. 5; Inwerkingtreding : 27-07-1998> § 1. Alle persoonlijke rechtsvorderingen verjaren door verloop van tien jaar.
  In afwijking van het eerste lid verjaren alle rechtsvorderingen tot vergoeding van schade op grond van buitencontractuele aansprakelijkheid door verloop van vijf jaar vanaf de dag volgend op die waarop de benadeelde kennis heeft gekregen van de schade of van de verzwaring ervan en van de identiteit van de daarvoor aansprakelijke persoon.
  De in het tweede lid vermelde vorderingen verjaren in ieder geval door verloop van twintig jaar vanaf de dag volgend op die waarop het feit waardoor de schade is veroorzaakt, zich heeft voorgedaan.
  § 2. Indien een in kracht van gewijsde gegane beslissing over een vordering tot vergoeding van schade enig voorbehoud heeft erkend, dan is de eis die strekt om over het voorwerp van dat voorbehoud vonnis te doen wijzen, ontvankelijk gedurende twintig jaar na de uitspraak.

  Art. 2263. Na verloop van (acht) jaren, te rekenen van de dagtekening van de laatste titel, kan de schuldenaar van een rente genoodzaakt worden om op zijn kosten aan zijn schuldeiser of aan diens rechtverkrijgenden een nieuwe titel te verschaffen. <W 1998-06-10/39, art. 6, 004; Inwerkingtreding : 27-07-1998>

  Art. 2264. De regels van de verjaring met betrekking tot andere onderwerpen dan die in deze titel vermeld zijn, worden bepaald in de titels die daarover in het bijzonder handelen.

  AFDELING III. - TIENJARIGE EN TWINTIGJARIGE VERJARING.

  Art. 2265.
  <Opgeheven bij W 2020-02-04/16, art. 29,8°, 019; Inwerkingtreding : 01-09-2021>

  Art. 2266.
  <Opgeheven bij W 2020-02-04/16, art. 29,8°, 019; Inwerkingtreding : 01-09-2021>

  Art. 2267.
  <Opgeheven bij W 2020-02-04/16, art. 29,8°, 019; Inwerkingtreding : 01-09-2021>

  Art. 2268.
  <Opgeheven bij W 2020-02-04/16, art. 29,8°, 019; Inwerkingtreding : 01-09-2021>

  Art. 2269.
  <Opgeheven bij W 2020-02-04/16, art. 29,8°, 019; Inwerkingtreding : 01-09-2021>

  Art. 2270. Na verloop van tien jaren zijn architecten en aannemers ontslagen van hun aansprakelijkheid met betrekking tot de grote werken die zij hebben uitgevoerd of geleid.

  AFDELING IV. - ENIGE BIJZONDERE VERJARINGEN.

  Art. 2271. De rechtsvordering van meesters on onderwijzers in kunsten en wetenschappen, wegens de lessen die zij bij de maand geven;
  Die van hotelhouders en tafelhouders, wegens het verschaffen van woning en kost;
  Die van arbeiders en werklieden, tot betaling van hun daghuur, hun leveringen en hun loon,
  Verjaren door verloop van zes maanden.

  Art. 2272. (Lid 1 opgeheven) <W 06-08-1993, art. 63>.
  (De rechtsvordering) van (gerechtsdeurwaarders), tot betaling van hun loon voor de akten die zij betekenen, en voor de opdrachten die zij uitvoeren; <W 06-08-1993, art 63>.
  Die van kooplieden, wegens de koopwaren die zij verkopen aan personen die geen koopman zijn;
  Die van kostschoolhouders, tot betaling van het kostgeld van hun leerlingen; en van andere meesters, tot betaling van het leergeld;
  Die van dienstboden die zich bij het jaar verhuren, tot betaling van hun loon,
  verjaren door verloop van een jaar.

  Art. 2273. <W 29-12-1983, art. 8>. De rechtsvordering van de verhuurders tot betaling van het bedrag dat volgt uit de aanpassing van de huurprijs aan de kosten van levensonderhoud verjaart door verloop van een jaar.
  De rechtsvordering van de huurders tot teruggave van het te veel betaalde verjaart door verloop van een jaar vanaf de verzending van het verzoek bepaald bij artikel 1728quater.

  Art. 2274. De verjaring, in de voorgaande gevallen bepaald, heeft plaats, hoewel men met de verstrekkingen, leveringen, diensten en werken is voortgegaan.
  Zij houdt slechts op te lopen, indien er een afgesloten rekening, een onderhandse of authentieke schuldbekentenis bestaat, ofwel een dagvaarding voor het gerecht, waarop geen verval van instantie is gevolgd.

  Art. 2275. Niettemin kunnen zij tegen wie men zich op die verjaringen beroept, aan hen die zich erop beroepen, de eed opdragen omtrent de vraag of de zaak werkelijk betaald is.
  De eed kan worden opgedragen aan de weduwen en aan de erfgenamen, of aan de voogden van de laatstgenoemden, indien deze minderjarig zijn, opdat zij verklaren dat zij niet weten dat de zaak verschuldigd is.

  Art. 2276. Rechters (en pleitbezorgers) zijn niet meer verantwoordelijk voor de stukken, wanneer vijf jaren zijn verlopen sinds het geding is uitgewezen.
  Eveneens zijn (gerechtsdeurwaarders) daarvoor niet meer verantwoordelijk na verloop van twee jaren sinds de uitvoering van hun opdracht of de betekening van de akten waarmee zij belast waren. <W 05-07-1963, art. 48>.

  Art. 2276bis. <Ingevoegd bij W 08-08-1985, art. 1>. § 1. De advocaten zijn ontlast van hun beroepsaansprakelijkheid en zijn niet meer verantwoordelijk voor de bewaring van de stukken vijf jaar na het beëindigen van hun taak.
  Deze verjaring is niet van toepassing wanneer de advocaat uitdrukkelijk met het bewaren van bepaalde stukken is belast.
  § 2. De vordering van de advocaten tot betaling van kosten en ereloon verjaart na verloop van vijf jaar na het beëindigen van hun taak.

  Art. 2276ter. <Ingevoegd bij W 19-02-1990, art. 1>. § 1. Deskundigen zijn ontlast van hun beroepsaansprakelijkheid en zijn niet meer verantwoordelijk voor de bewaring van de stukken tien jaar na het beëindigen van hun taak of, als deze hun krachtens de wet werd opgedragen, vijf jaar na de indiening van hun verslag.
  Deze verjaring is niet van toepassing wanneer en deskundige uitdrukkelijk met het bewaren van bepaalde stukken is belast.
  § 2. De vordering van dekundigen tot betaling van kosten en ereloon verjaart na verloop van vijf jaar.

  Art. 2276quater. <Ingevoegd bij W 1998-07-05/57, art. 15, 005; Inwerkingtreding : 01-01-1999> De schuldbemiddelaars zijn ontlast van hun beroepsaansprakelijkheid vijf jaar na het beëindigen van hun taak.

  Art. 2276quinquies. (Ingevoegd bij <W 1999-05-04/03, art. 47, Inwerkingtreding : 01-01-2000>) Voor de beroepsaansprakelijkheid van de notarissen gelden de gemeenrechtelijke verjaringstermijnen, behoudens voor de beroepsaansprakelijkheid betreffende de laatste wilsbeschikkingen en de contractuele erfstellingen waarvoor de verjaringstermijn begint te lopen vanaf het overlijden van de betrokkene die de laatste wilsbeschikking of de contractuele erfstelling deed.

  Art. 2277.Termijnen van altijddurende renten en van lijfrenten;
  Die van uitkeringen tot levensonderhoud;
  [2 Schuldvorderingen van buitengewone kosten bedoeld in artikel 203bis, § 3;]2
  Huren van huizen en pachten van landeigendommen;
  Interesten van geleende sommen, en, in het algemeen, al hetgeen betaalbaar is bij het jaar of bij kortere termijnen,
  Verjaren door verloop van vijf jaren.
  [1 Schuldvorderingen wegens levering van goederen en diensten via distributienetten voor water, gas of elektriciteit of de levering van elektronische communicatiediensten of omroeptransmissie- en omroepdiensten via elektronische communicatienetwerken verjaren na verloop van vijf jaren.]1
  ----------
  (1)<W 2017-07-06/24, art. 48, 015; Inwerkingtreding : 03-08-2017>
  (2)<W 2018-12-21/09, art. 126, 017; Inwerkingtreding : 10-01-2019>

  Art. 2277bis. <Ingevoegd bij W 06-08-1993, art. 64>. De rechtsvordering van verzorgingsverstrekkers met betrekking tot de door hen geleverde geneeskundige verstrekkingen, diensten en goederen, daar inbegrepen de vordering wegens bijkomende kosten, verjaart ten overstaan van de patiënt door verloop van een termijn van 2 jaar te rekenen vanaf het einde van de maand waarin deze zijn verstrekt.
  Dezelfde bepaling is van toepassing voor geneeskundige verstrekkingen, diensten, goederen en bijkomende kosten welke door de verplegings- en verzorgingsinstelling of door derden werden geleverd of gefaktureerd.

  Art. 2277ter. <Ingevoegd bij W 2007-04-25/38, art. 216; Inwerkingtreding : 18-05-2007> § 1. Rechtsvorderingen ingesteld door publieke overheden tot vergoeding van de kosten voor maatregelen tot voorkoming en tot het herstel van milieuschade verjaren door verloop van vijf jaar vanaf de dag waarop de maatregelen geheel zijn voltooid of waarop de aansprakelijke persoon is geïdentificeerd, indien die laatstgenoemde datum later is.
  De in het eerste lid vermelde rechtsvorderingen verjaren in ieder geval door verloop van dertig jaar vanaf de dag volgend op die waarop het feit dat tot milieuschade heeft geleid, heeft plaatsgevonden.
  § 2. Milieuschade ten gevolge van nucleaire activiteiten of ten gevolge van activiteiten die hoofdzakelijk de landsverdediging of de internationale veiligheid dienen, alsook milieuschade ten gevolge van oorlogshandelingen, vijandelijkheden, burgeroorlog, oproer of milieuschade ten gevolge van een natuurverschijnsel dat uitzonderlijk, onontkoombaar en onafwendbaar is, of milieuschade ten gevolge van activiteiten die uitsluitend tot doel hebben bescherming te bieden tegen natuurrampen, valt niet onder het toepassingsgebied van dit artikel.

  Art. 2278.De verjaringen waarover in de artikelen van deze afdeling gehandeld wordt, lopen tegen minderjaringen en [1 personen beschermd krachtens artikel 492/1]1; behoudens hun verhaal op hun [1 voogd of bewindvoerder ]1.
  ----------
  (1)<W 2013-03-17/14, art. 146, 013; Inwerkingtreding : 01-09-2014 (W 2014-05-12/02, art. 22)>

  Art. 2279.
  <Opgeheven bij W 2020-02-04/16, art. 29,9°, 019; Inwerkingtreding : 01-09-2021>

  Art. 2280.
  <Opgeheven bij W 2020-02-04/16, art. 29,10°, 019; Inwerkingtreding : 01-09-2021>

  TITEL XXI. - (KENNISGEVING). <W 2001-10-20/40, art. 3; Inwerkingtreding : 01-01-2001>

  Art. 2281.
  <Opgeheven bij W 2022-04-28/25, art. 62, 020; Inwerkingtreding : 01-01-2023>
  

Wijziging(en)